Waar het allemaal begon

De Gaeds- of Godesberg, gelegen aan de oever van een dode rivierarm van de IJssel, genoemd de Sint Antoniuswade of gewoon Waa, net buiten de stad Hattem is de plek waar de eerste “Hatheimers” al in de negende eeuw neerstreken. Niet echt als eersten, want een paar duizend jaar eerder was er ook al bewoning door hunebedbouwers uit de klok- en trechterbekercultuur. Een kindergraf en enkele gebruiksvoorwerpen werden opgegraven in het gebied Assenrade, noordelijk van de stad. De op de Gaedsberg neergestreken bewoners geloofden dat zo rond het jaar 1000, Christus zou terugkeren op aarde en dat hij daarvoor deze naar hem genoemde natuurlijke hoogte zou kiezen. Dat is niet gebeurd, naar we nu weten. De Gaedsberg is ontstaan zoals vele stuwwallen op de Veluwe, in een van de laatste ijstijden. Enorme ijsmassa’s duwden vanuit het hoge noorden, grond en rotsblokken voor zich uit en zo werden stuwwallen en hoogtes gevormd zoals de Utrechtse heuvelrug, het Veluwemassief en de Overijsselse heuvelrug. Bekende hoogtes in het Gelderse zijn: Signaal Imbosch en de Posbank nabij de Rheden, de Torenberg bij Hoog Soeren en de Woldberg bij ‘t Harde. In de buurt van Hattem zijn er dus ook de iets lagere Gaedsberg, die zelfs helemaal doorloopt tot onder de stad, de Vuursteenberg, de Trijsselberg en de Langenberg. Logisch dat die eerste “Hattemers” zich gingen vestigen op deze hoogtes want er omheen was veelal sprake van veen en moeras. Het gebied grenzend aan de Gaedsberg, “de Enk”, werd gebruikt voor het weiden van vee. Op de Gaedsberg verrees een kapelletje en het gasthuis van Sint Antonie, ofwel het Antoniusgasthuis, later gebruikt voor pestlijders en leprozen. De arme drommels die leden aan de builenpest, melaatsheid en andere besmettelijke ziekten had men liever niet in de stad. In de 12e eeuw trekken de Hattemers, wellicht op zoek naar nieuwe weide- en visgronden, verder over de zandhoogte om uiteindelijk uit te komen op de huidige plek van de stad. Destijds kon dat nog via een doorwaadbare plaats in de Waa. De eerste bouwactiviteiten vinden vanaf de 2e helft van de 12e eeuw plaats aan de Andreas en Catharinakerk op de Markt, voor Hattemers gewoon de Grote Kerk. Een bijzonder bouwwerk dat gedurende zijn lange bestaan te maken kreeg met branden en blikseminslag. De eerste kerk, gereed rond 1225, was maar klein en gebouwd in Romaanse stijl met tufsteen en een toren met zadeldak. Over die kerk bouwde men later een tweede kerk in Gotische stijl, met opnieuw een al wat hogere toren met zadeldak. Onderwijl bleef men gewoon kerken. In de toren kwam de 1300 kilo zware Catharinaklok. In de 16e eeuw werd de kerk uitgebreid met een Annakapel, waarin nog langere tijd een reliek van de heilige moeder Anna bewaard werd, waardoor Hattem een tijdlang bedevaartsoord is geweest. Rond 1570 was het gedaan met het katholicisme in Hattem. In de kerk vonden bij de reformatie nauwelijks plunderingen plaats. De vroeg 15e eeuwse kloosters van Hulsbergen in het huidige Wapenveld en Claerwater bij Caten (Katerveer) werden echter met de grond gelijk gemaakt. In 1611 kreeg de Grote Kerk zijn Renaissance torenspits waarin later het carillon werd aangebracht dat zich geregeld laat horen. In de zomer zijn er carillonconcerten. Kom maar eens luisteren. Dat gaat het beste op het Tinneplein. Over dat plein en het kasteel “De Dikke Tinne” dat daar stond, een andere keer meer.

 

De stad krijgt vorm

In de 14e en 15e eeuw verrijzen de eerste panden rond de Markt, de Klinksteeg, de Ridderstraat, de Zaksteeg en in de Allerhoek. Het heilige Geest gasthuis, Pand De Vijzel, het latere pand De Zon; een koffiehuis annex stalhouderij met wel drie verdiepingen en een schitterende trapgevel aan de Marktzijde. Thans zit hier restaurant “Het Wapen van Hattem”. Het stadhuis was toen een dependance van dat heilige Geest gasthuis en later Waaggebouw, waar ook de “vierschaar” recht sprak. Eigen rechtspraak was één van de stadsrechten die Hattem in 1299 kreeg. Andere rechten waren het marktrecht, waagrecht, tolrecht en het recht tot het bouwen van verdedigingswerken. Tegen de kerk verrezen het latere Waaggebouw met daarboven de hoofdwacht voor de Schout en zijn rakkers en een schooltje, dat ook nog een postkantoor is geweest. Achter de kerk werd de Wheeme, of oude pastorie gebouwd. Via een onderaardse gang kon men vanuit de pastorie in de kerk komen. Het pand is altijd gebruikt als woonhuis voor de geestelijkheid, zoals de nogal opstandige pastoor Bernardus die Haeze. In de Allerhoek; nu Adelaarshoek, tegen de stadsmuur verscheen “De Engelenberg”; het oude klooster, later “Raedhuys in vereeniging met Vleeschhuys”. In de Ridderstraat werd de Sint Joriskapel gebouwd. Op het Tinneplein verrees begin 15e eeuw het hertogelijke slot Sint Lucia, ofwel De Dikke Tinne. Het kleinste slot van Nederland maar met de dikste muurtorens van wel zeven meter dik. Het stratenpatroon van Hattem is nog hetzelfde als in de late Middeleeuwen, zij het dat het huidige Marktplein in 2016 een grote renovatie heeft ondergaan. Vanaf 1400 kent Hattem een volledige omwalling, eerst van aarde en palen en later van bakstenen, gebakken uit de IJsselklei. Naast muren ontstonden ook muurtorens en zeker vier toegangspoorten met bastions, waarvan alleen de opvallende Dijkpoort (binnenpoort) nog over is, en natuurlijk dubbele grachten om de stad. Een kleine maar strategisch gebouwde, goed te verdedigen stad, op de noordelijkste punt van het hertogdom Gelre. Dat was nodig met de vele aanvallen die er geweest zijn door plunderaars vanuit Oversticht; nu Overijssel, Spaanse belegeringen, Franse en Munsterse troepen, troepen van stadhouder Willem V en zelfs Kozakken. Hattem stond zijn mannetje toen en nu. Begin 17e eeuw ging het Hattem voor de wind en uit die tijd stammen prachtige gebouwen als het Pand der Liefde, Tinne en Daendelshuis, Nicolaas Staalstichting, het Van Lennepshuis ofwel het Hoge Huis en Instituut van Wijk ofwel de Franse School. Vele panden van voor die tijd, krijgen in deze tijd een facelift van luxe zoals het stadhuis, het Jurriënhuis en Pand de Halve Maan. Die “gouden eeuw” duurde echter hooguit 50 jaar en in die tijd werd Hattem ook nog eens zwaar getroffen door twee grote pestepidemieën en stadsbranden. Het was slecht gesteld met de hygiëne en gezondheidszorg in de stad, die zeker na het rampjaar 1672 in grote armoede terugviel. Panden uit de 18e en 19e eeuw zijn daarom nauwelijks te vinden. Het kasteel was inmiddels tot een ruïne vervallen, na het verraad door de vader en zoon Van Montfoort. Historicus Geert Mak spreekt in zijn boek: “De Goede stad”, over “de Wet van Hattem”, waarmee hij bedoelde dat Hattem, maar ook vergelijkbare steden, door pure armoede niet tot sloop en vernieuwing kon overgaan. Iets dat veel rijkere steden wel deden, maar daardoor behield Hattem wel veel Middeleeuws erfgoed, waar we nu nog, dankzij Stichting Stadskern Hattem van mogen genieten. Dat van die Van Montfoorts en dat kasteel De Dikke Tinne is weer een heel ander verhaal, waarover een andere keer meer.

Dikke Tinne, Spookhuis en het verraad van de Van Montfoorts

Jan van Wassenaer gekooid

De “kooi van Van Wassenaer”, hing in een van de zeven meter dikke torens van het Hattemse slot “Dikke Tinne”. Hij dankte zijn naam aan de vermoedelijk eerste en veruit belangrijkste gevangene die hierin heeft gehuisd. Tijdens een strooptocht van Geldersen, waaronder ook Hattemers en Elburgers, tegen de stad Amsterdam, werd een legereenheid onder leiding van legeroverste Jan II van Wassenaer (1484-1523), bijgenaamd “Jan met de scheve kaak”, in de pan gehakt en werd Jan gevangen genomen en naar Hattem meegevoerd. Van 1512 tot 1514 werd hij daar gevangen gehouden, om uiteindelijk voor het losgeld van 20.000 florijnen, vrijgelaten te worden. De familie en de stad Amsterdam moesten diep in de buidel tasten voor het vrijkopen van de adellijke en gelouterde krijgsoverste. Jan werd die twee jaren beschimpt, bespot en vernederd. Na zijn vrijlating wordt hij als moedig legeraanvoerder weer actief en behaalt vele successen in het leger van keizer Karel V. Bij een slag om de stad Sloten in Friesland in september 1523 werd hij in zijn arm geraakt door een kogel, waardoor hij uiteindelijk in december van dat jaar aan wondkoorts overlijdt.

Dat hij belangrijk was bleek ook het feit, dat hij drager was van de door Fillips de Goede van Bourgondië in 1430 ingestelde onderscheiding van de “orde van het gulden vlies”. Een echte “vliesridder” dus, trouw aan zijn opdrachten en het motto van de orde: “beloning voor werk en niet te koop”. Deze ridderorde werd alleen voor vrome katholieken van hoge afkomst vergeven. Van Wassenaer was als legeraanvoerder in dienst van keizer Maximiliaan van Oostenrijk, een vriend van de stad Amsterdam. Voor de Gelderse hertog Karel bleek hij wel te koop, hij bleek de zelfs de hoofdprijs waard. Nog een stukje Hanze mentaliteit om overal geld aan te willen verdienen.

Behalve Jan van Wassenaer werden in deze kooi in 1520 ook de schout van Deventer, Willem van Deutekom en de rentmeester van Salland, Jan Kroeze, om beurten hierin opgesloten, daar de Zwolse gevangenissen overvol zaten. Een lucratieve vriendendienst van hertog Karel van Gelre aan de stad Zwolle. Hoeveel daaraan is verdiend, vermeldt de geschiedenis niet.

De kooi was rond en van ijzer, maar anderen spreken van een vierkante, van zware houten balken opgetrokken kooi, zo hoog dat een man erin kon staan en zo breed dat een bed en een stoel er in pasten. Met touwen en windassen werd de kooi opgehaald tot bovenin de toren en voor de maaltijden neergelaten. De steen met de ring waaraan het hijstouw kon worden bevestigd is nog te zien in het Voermanmuseum te Hattem, evenals een model van het vroegere kasteel Dikke Tinne. De kooi is destijds verdwenen. Een groep enthousiaste vrijwilligers is bezig de kooi weer op te bouwen en een plek te geven op het Tinneplein, waar dat beroemde kasteel Dikke Tinne heeft gestaan. Het kasteel raakte eind 16e eeuw zwaar in verval en werd eind 18e eeuw met de grond gelijk gemaakt. De ruim 400.000 bakstenen werden voor een lieve duit verkocht aan Groningen, Amersfoort, Utrecht, Amsterdam en andere steden. Goede handel dus. Alleen het oude voorhof van het kasteel is nog in takt en dat deel is beter bekend als restaurant ’t Spookhuis”. Van een toren is de omtrek nog te zien, maar duidelijk is wel dat daaruit nog geen muis kon ontsnappen.

Gerard Libert, stads- en natuurgids in Hattem

 

De bakstenen als ballast en Hanzegoud

 

Kleikloet’n

Hattem is de enige plek op de Veluwe waar de overgang van Veluwemassief naar de IJsselvallei zo abrupt is. Waar de Langenberg en de Hezenberg via het Apeldoorns kanaal en de Wiessenbergerkolk overgaan in de uiterwaarden van de IJssel. De hoge zandduinen met struikhei, vliegdennen en jeneverbesstruiken van het “Algemene Veen”, welke via een oeroude bandijk overlopen in nat broekbos en enkele kolkjes van dit bijzondere gebied, waaronder een heus “pingokolkje”. Met bevers, aalscholvers, visdiefjes, lepelaars, ooievaars, blauwe en zilverreigers, kwartelkoning en ijsvogeltjes, maar ook reeën, vossen, dassen en reptielen een prachtig stukje natuur, pal tegen een Hattemse woonwijk. ‘s-Winters zijn de vaste bezoekers van de Wiessenbergerkolk de kleine zwanen, allerlei ganzen, bergeenden, zaagbekken, smienten en kuifeenden. Het gebied maakt onderdeel uit van de ecologische hoofdstructuur “Hattemerpoort” en vervult een brugfunctie tussen de Veluwe, oostelijk en westelijk van de A50 en het rivierengebied. Dieren vanuit het Veluwemassief vertonen zich naast hazen, water- en weidevogels van het IJssellandschap. Veldjagers als kiekendief, buizerd en torenvalk zie je naast bosjagers als boomvalk en havik. Door dit landschap zal wild vrijelijk over het kanaal trekken, althans dat is de bedoeling. Wildtrappen in het Kanaal zijn er voor de oversteek. Herten en reeën zullen vanuit Molecaten en Flip Hul wellicht zelfs in Salland kunnen opduiken, met gevolg betere vermenging van soorten. Na de ecoducten, nu een nieuwe ontsluiting, dwars door de rivier. Wild kan namelijk heel goed zwemmen. Wilde zwijnen ook, maar die dienen thuis te blijven. Die worden in Overijssel niet toegelaten, dat is zo bepaald. Hun verblijf wordt officieel alleen op de Veluwe en in Zuid Limburg toegestaan. Werkelijkheid is dat die Hattemerpoort in Hattem voor herten potdicht zit, althans richting rivier. Die kunnen het dus vergeten, want overal zijn hekwerken en bebouwing. Er is gewoon geen vrije doorgang met al die obstakels. Inmiddels rukt ook de wasbeerhond vanuit Oost Nederland verder op. Zij hebben net als dassen en vossen maar een klein gaatje (of dassentunnel) nodig en ook kunnen ze heel goed zwemmen. Het wordt daardoor voor de jonge hazen en weidevogels in de Hoenwaard steeds zwaarder om te overleven. De stand van het aantal broedende grutto’s, kieviten en tureluurs loopt al jaren terug. Belagers als vossen, dassen, marters en wezels over de grond en kraaien, meeuwen en kiekendieven vanuit de lucht en ja, ook af en toe een rondstruinende slokop als de ooievaar, zorgt voor teveel belagers en steeds minder buit. Voor jonge weidevogels en haasjes dus geen vluchtweg via welke poort dan ook. Zo zijn weidevogels en jonge watervogels steeds vaker het haasje en jonge haasjes de pechvogels van de IJsseldelta.

Gerard Libert, stads- en natuurgids, Hattem

 

Kleikloet’n maart

Hattems geschiedenis kent een aantal bijzondere vrouwen. Zo was daar Eleonora, dochter van de Engelse koning Eduard II. Als 14 jarige huwde zij in 1331 de 40 jarige roodharige Gelderse graaf Reinald II. Ze kregen twee jongens, die later in een heftige broedertwist verwikkeld raakten om de macht over het inmiddels tot hertogdom verklaarde gebied. Door dit huwelijk werd de graaf door bemiddeling van de Engelse koning namelijk beloond met het hertogschap en kreeg de Hattemse leeuw van trots een tweede staart. Dat was best wel bijzonder want zelfs het machtige Holland bleef maar “gewoon” een graafschap. Reinald en Eleonora leefden doorgaans gescheiden. Volgens geruchten leed Eleonora aan lepra. Toen zij hiervan hoorde, toog zij met haar kinderen naar Nijmegen en ze scheurde voor de ogen van iedereen haar bovenkleed open en toonde haar naakte, ongeschonden lichaam, waarmee ze aangaf volledig gezond te zijn. Reinald kreeg spijt van zijn afstandelijke houding, maar kort daarna stierf de dementerende hertog. Zijn weduwe liet zich nu ook Vrouwe van Veluwe noemen. Zij schonk in 1346 aan Hattem, ’t Veen; een moerasgebied ten oosten van de stad. Haar beeltenis is te vinden in de muur van ’t Nederlands bakkerijmuseum, in het deel van de stad dat ze ’t Warme land noemen.

Een andere persoonlijkheid was baronesse Van Heemstra, gouvernante van de jonge prinses Wilhelmina. Getrouwd met generaal titulair Hoefer, onbezoldigd stadsarchivaris in Hattem. Ze bewoonden het Van Lennipshuis in Hattem, beter bekend als ‘t Hoge Huis. Broer, baron Van Heemstra was burgemeester in die stad. Over Hoefer later meer. Op haar ziekbed kreeg zij bezoekjes van koningin Wilhelmina, die erg op haar was gesteld en haar “bruinoog” noemde. De bezoekjes per koets vanuit paleis ’t Loo in Apeldoorn, betekenden altijd het uitspannen van de paarden op de Hattemse Markt, waarna de koets door haar personeel de doodlopende Korte Kerkstraat, ook wel Zaksteeg genoemd, ingetrokken werd tot pal voor de deur van ’t Hoge Huis. Aan het einde van de theevisite vond dit ritueel in omgekeerde volgorde plaats. Ook president Paul Kruger van Zuid Afrika ging eens bij deze wijze vrouw op bezoek, terwijl haar broer, de burgemeester dacht dat het een officieel bezoek aan de stad Hattem betrof. Stond ie mooi te kijk met zijn stadsbestuur daar op het bordes. Of broer en zus dit ooit uitgepraat hebben is niet bekend.

Een zonderlinge vrouw was ongetwijfeld Greet Hofmans. Pacifiste, gebedsgenezeres en persoonlijk adviseur van koningin Juliana. Door prins Bernhard binnengehaald om haar bij te staan, nadat zij na de geboorte van prinses Marijke in een depressie was geraakt. Zij moest vertrekken, nadat haar invloed op Juliana hem niet meer beviel. Juliana’s goede vriend, baron van Heeckeren van Molecaten uit Hattem, bood Greet een verblijfplaats aan op zijn landgoed, waar ze in afzondering leefde in een eenvoudig onderkomen. In café Steenman op de hoek van de Kruisstraat en de Ridderstraat hield zij haar healingsessies met handoplegging en deed wonderbaarlijke genezingen, zo wordt beweerd.

Gerard Libert, stads- en natuurgids Hattem

 

Kleikloet’n april

Niemand heeft zoveel gedaan voor Hattems historisch erfgoed als Frederic Adolph Hoefer (1850-1938). Hij was generaal buiten dienst der Artillerie en had zijn sporen ruim verdiend in de 1e Wereldoorlog. Daarnaast was hij een gedreven geschiedvorser en oudheidkundige. In Hattem was hij vanaf 1895 onbezoldigd stadsarchivaris onder zijn zwager, burgemeester baron Van Heemstra. Zijn tweede vrouw was baronesse Van Heemstra. Onder Hoefers leiding werden grote renovatiewerkzaamheden uitgevoerd aan de Grote Kerk en aan de dakconstructie van de Dijkpoort, waarbij hij zijn goede vriend de bekende architect Pierre Cuypers uit het Limburgse had laten overkomen. Een gedenksteen over Hoefer is te vinden in die Dijkpoort en aan de zijgevel van de kerk. Hij gaf leiding aan de opgravingen naar het Middeleeuwse slot “de Dikke Tinne” op het Tinneplein, het “Raadhuis in vereniging met Vleeshuis” aan het einde van de Adelaarshoek en op de “Gaedsberg”, naar restanten van het Antoniusgasthuis en het kapelletje, welke daar in de 12e eeuw gestaan zouden hebben. Een man met een tomeloze energie en grote werklust, die ongelofelijk veel heeft betekend voor het onderzoeken en vastleggen van de Hattemse geschiedenis. Hoefer was oprichter van het artilleriemuseum, het latere legermuseum te Doorwerth en van het Openluchtmuseum te Arnhem en hij was directeur van het Provinciaal Overijssels museum te Zwolle. Het zwaar in verval geraakte kasteel Doorwerth kocht hij uit eigen middelen en redde het van de ondergang. Hij publiceerde zich een slag in het rond en richtte ook nog de voorloper van de huidige Stichting Gelders landschap en Kastelen op. Vreemd dat van hem geen beeld in Hattem te vinden is, al is er in het Verkentorentje, achter zijn huis een kleine presentatie over hem afgebeeld. Een (borst)beeld zou niet misstaan bij ‘t Hoge Huis of op ’t kerkplein. Kunstschilder Jan Voerman heeft er wel een, die uitkijkt over zijn geliefde IJssellandschap. Hoog tijd dus om Hoefer binnen de poorten een plek te geven die hij verdient. Een Hoeferstichting is er al. Ik prijs me gelukkig als bezitter van zijn grote werk genaamd: “Aanteekeningen betreffende de kerk van Hattem” een uitgave van P.Gouda Quint te Arnhem uit 1900, waarin hij o.a. vermeld: “Iedere tichel verdient zijne plaats in een gebouw, al is hij geen hoeksteen”. De kleine grote man Hoefer stierf na een lang en arbeidzaam leven in 1938 in Zeist. Gelukkig is zijn nagedachtenis voortgezet door de in 1968 opgerichte Stichting Stadskern Hattem, die al vele oude panden voor de toekomst heeft weten te behouden of zoals Hoefer dat destijds beschreef: “ ’t Volk dat zijn Gistren blijft gedenken, verloor de hoop op ‘t Morgen niet”. Historicus Geert Mak sprak in zijn boek: “De goede stad” uit 2007 over “De Wet van Hattem”, waarmee hij bedoelde dat door pure armoede veel oudheid bewaard is gebleven, terwijl rijkere steden het zich konden veroorloven om tot sloop en nieuwbouw over te gaan. In Hattem dus niet. Dat is de reden waarom er zoveel panden uit de late middeleeuwen en de 17e eeuw te vinden zijn.

Gerard Libert, stads- en natuurgids Hattem.

 

 

Kleikloet’n (oktober 2016)

Een lokale lekkernij zijn de naar salmiak en zoethout smakende bolletjes; de “Hattemer kleikloet’n”. Opkikkertjes van de lokale firma Zoethout, in grootte vergelijkbaar met Haagse hopjes en Zwolse balletjes, waar je steeds weer van wilt snoepen. Verslavend en verleidelijk lekker. Kleikloet’n, is ook de vanouds bekende bijnaam voor Hattemers, die al in de Middeleeuwen, tussen het maken van bakstenen door, kleiklontjes tot bolletjes draaiden om hun kinderen daarmee te laten spelen. Veel kinderen werden in die tijd ingezet om te helpen met het voortdurend “opsnijden” (kantelen) van de “groene” (verse) bakstenen, die in lange rijen waren uitgelegd (“neerslaan”). Zwaar werk dat eerst alleen in de warme zomermaanden gebeurde. Toen de steenovens verschenen kon dit ook in de andere maanden, zolang de IJsseloevers bereikbaar waren. In de hoogtijdagen heeft Hattem vijf steenovens gehad, waarvan er nog één over is, maar allang niet meer in gebruik. De bakstenen werden gemaakt van de vette zee- en rivierklei, gevonden langs de IJssel, waar Hattem aan ligt. De zee kwam toen nog ongehinderd het land binnen via de open Zuiderzee, wat soms tot grote watersnood leidde, zoals de stormvloedramp van 1825. In Hattems Hanzeperiode waren bakstenen goede handelswaar en ideale ballast in het ruim van de instabiele Koggeschepen. De Volkswagen Kever onder de handelsschepen. De bakstenen maakten dat Hattem snel “versteende”, ofwel de zeer brandbare huizen van hout, riet en stro werden omgebouwd tot stenen huizen met dakpannen. Het Hattemse slot “Dikke Tinne” uit 1404, was een toonbeeld van een massieve bakstenen bouwconstructie met twee torens, met muren van ieder zeven meter dik.

Rond 1930 zijn opnieuw vele Hattemse jongens werkzaam geweest in o.a. de Zeeuwse- en de Wieringermeerpolderklei. Kleikloet’n dus; de naam voor een column over Hattem en de Hattemers. Eenmaal per maand mag ik die kleikloet’n met u delen. Klei plakt overal aan en loopt gemakkelijk mee naar binnen, net als de verhalen over Hattem van toen en nu, opvallend herkenbaar. Korte verhalen die beklijven over de IJsselstad in Veluws groen.

Gerard Libert, stads- en natuurgids, Hattem

 

Dit is maarschalk Daendels

Dit is maarschalk Daendels, compleet met goudgalons,
Hij wilde veel, was ongeduldig en maakte korte metten
Een ware patriot, gevangen nu in brons,
niet in staat om nog één poot te verzetten

(vrij naar Toon Hermans)

------------------------

Hier staat Herman Willem Daendels, een patriot bij leven
Was vrijheidsstrijder, maarschalk, gouverneur, herenboer en generaal
Hij eiste veel, was eerzuchtig, ongeduldig en gedreven
Vereerd en verguist, succesvol en verlaten, hij was het allemaal.


Wat zijn wij trots dat hij in Hattem werd geboren
Hij bracht door zijn strijd de democratie in Nederland
Zonder hem en de zijnen, waren wij arme drommels verloren
en liepen wij nog slaafs en zonder stem bij aristocraten aan de hand.

-----------------------

Een duvelstoejager en houwdegen, een patriot in hart en nieren
dat was Herman Willem Daendels, zoon van een Hattemse regent
Hij bracht ons de parlementaire democratie, wat wij nog dagelijks vieren
ook als generaal, gouverneur, maarschalk en herenboer werd hij bekend.

Hij leefde snel en wilde veel, was niet voor een kleintje vervaard
Zijn vrouw Aleida was in Hattem veel alleen, daar in het Daendelshuis
Toch heeft zij nog 15 kinderen van hem gebaard
Hoe hij dat deed blijft een raadsel, want hij was zelden thuis.

-----------------------

Herman Willem Daendels, een houwdegen en patriot in hart en nieren
Voor de duvel niet bang, een leider met daadkracht en resultaat
Hij bracht het volk haar democratie en gelijkheid om te vieren
Handelaar, bestuurder, herenboer, maarschalk, generaal, hij kende geen maat

 

Een man met een grote staat van dienst voor ons verdeelde land
Eerzuchtig, vol passie, door macht gedreven en met een scherpe handelsgeest
Voor zijn idealen schoof hij menig tegenstander aan de kant
Hij leefde voor twee, moet innemend maar ook veeleisend zijn geweest

-------------------------

Hier staat Herman Willem Daendels, een Hattems monument,
patriot, maarschalk, generaal, gouverneur, herenboer en gildekoning
Zijn dadendrang en ongeduld werden door de aristocratie miskend
Het brengen van de democratie werd zijn grootste beloning.

Zonder hem en al die andere patriotten die de strijd aanbonden
tegen de machtigen in dit berooide en verdeelde land,
werd vrijheid, gelijkheid en broederschap nooit gevonden
Daarom staat hier onze Daendels, brenger van gezond verstand.

-------------------------

Hier rust maarschalk Daendels, staat er op zijn graf
Daar op die verre, vreemde, gouden kust van Ghana
Zijn leven was turbulent, avontuurlijk en nog lang niet af
Van patriot tot generaal, van herenboer tot Toewan Besar Blanda

Hij vocht voor vrijheid, gelijkheid en broederschap
Was veldheer in zijn Bataafse legioen
En samen met Napoleon, trok hij stap voor stap
Door ‘t barre Rusland en bleef in goede doen

Uit Hattem kwam hij; was zoon van de bestuurder van de stad
Hij wilde veel en ook nog snel, hij hoopte op ’n wonder
Als je niet deed zoals hij het voor ogen had
Gewis dan kwam er groot gedonder

Stadhouder Willem V die moest hem niet,
had niets met eerzuchtige en opstandige patriotten
Het was door aristocraten dat hij het land verliet,
maar zou terugkeren, om ze als zwijnen te bespotten

Als aanvoerder van zijn Bataafse legioen
trok hij met Fransen dat verdeelde Holland binnen
Pleegde twee maal een staatsgreep, rekende af met onfatsoen
wilde met vrijheid, gelijkheid en broederschap opnieuw beginnen

 

Hij bracht ons democratie en echte burgerrechten
Ook als Maarschalk van Holland was hij in Indië daadkrachtig
Met zijn energie en machtsvertoon wist hij menig vijand te bevechten
Gaf Java zodoende in één jaar de Grote Posweg, dat was prachtig

 

Als hereboer op De Dellen kende hij minder resultaten
Het koste hem bijna zijn hele vermogen
Op Afrika’s Goudkust overleed hij, door iedereen verlaten
Door machthebbers in Holland verguist en bedrogen

56 jaren werd hij slechts, maar hij leefde voor twee
Zijn trouwe Aleida baarde van hem wel 15 kinderen
En in Indië zijn er wellicht ook nog wat, zo ver daar overzee.
De meeste stierven snel, slechts enkelen kunnen we ons herinneren

In 1762 werd hij geboren aan de Kerkstraat, in ‘t pand met zijn gevelsteen,
waarop trots het familiewapen en een Keeshond is afgebeeld
Het Daendelshuis of Daendelspoortje daar ging hij maar zelden heen
Was meestal in zijn Amsterdam, in Hattem was hij uitgespeeld.

----------------------------------

Dit was Herman Willem Daendels, gedreven door zijn idealen
Niemand die hem stoppen zou
Was meedogenloos en ongeduldig, de duvel zou hem halen
Vocht zelfs naast Napoleon in Rusland, in die barre winterkou

-----------------------------------

Dit is Herman Willem Daendels verguist, maar veel meer nog geprezen
was bestuurder, houwdegen, legeraanvoerder, boer en bovenal patriot
Hij leidde zijn troepen van het Bataafse legioen, ’t waren allemaal Kezen
en ook in Indië en op Goudkust, was hij de Maarschalk naast God.

Een man dus om niet mee te spotten, kordaat en strijdvaardig bovendien
Zelfs in Rusland wist hij voor Napoleon een vrije aftocht te creëren
Hij stond voor zijn zaken, privé of in het landsbelang, dat liet hij overtuigend zien
Pleegde twee staatsgrepen en bracht ons democratie, waarvoor we hem eren

Kleikloet’n 4

De bekendste Hattemer uit de geschiedenis van deze kleine Hanzestad is ongetwijfeld Herman Willem Daendels. Geboren in 1762 op het adres Kerkstraat 38 en gestorven aan malaria in 1818 op zijn post in fort Elmina, Goudkust, nu Ghana in West Afrika. Daar ligt hij ook begraven, maar vreemd genoeg is hij nooit thuisgehaald. Het geboortehuis is herkenbaar aan de gevelsteen met het familiewapen en de keeshond, die model stond voor de patriotten. Hij was een overtuigd patriot, voorbestemd om een hoge bestuurlijke functie in Hattem te gaan bekleden. Zijn grote opponent stadhouder Willem V moest hem echter niet en zijn troepen, onder leiding van generaal Spengler verjoegen hem en de andere patriotten in 1786 uit Hattem en ook uit Elburg. Eind 18e eeuw trok Daendels als generaal in het Franse leger en als aanvoerder van zijn Bataafse patriottenlegioen, via de bevroren rivieren ons land binnen. Hij vocht tegen alles wat de heersende adel aan macht uitstraalde, noemde ze zwijnen, pleegde hier twee staatsgrepen en mede door zijn optreden zorgde hij voor de invoering van de parlementaire democratie in ons land. Groot bewonderaar van baron Joan Derk van der Capelle tot den Poll, de politieke leider van de patriotten en schrijver van het democratisch manifest: “Aan het volk van Nederland”. Daendels was een duvelstoejager, strateeg, houwdegen en vechtjas, handelaar in van alles, die stond voor zijn zaak. Met Napoleon Bonaparte trok hij in 1812 op veldtocht naar Rusland en bezorgde hem een veilige aftocht over de Berezina rivier. Zijn weduwe, de Hattemse Aleida van Vlierden, woonde tot haar overlijden op hoge leeftijd in het “Daendelshuis”, in Hattems stadsdeel dat “het warme land” genoemd wordt. Een huis dat beter het Van Vlierdenhuis genoemd kan worden, naar de schoonvader van Daendels, de orangist, kolonel Van Vlierden, die het uit 1618 stammende pand naliet aan zijn dochter Aleida. Herman Willem en Aleida kregen samen 15 kinderen, van wie er vijf al jong stierven. “Erve Daendels” op landgoed De Dellen in de gemeente Heerde, was de beloning voor het kordate optreden van Daendels als gouverneur generaal (Maarschalk van Holland) in Nederlands Indië. Op last van Lodewijk Napoleon werd onder leiding van Daendels dwars over het eiland Java, in één jaar tijd de 1000 kilometer lange “Jalan Raya Pos, ofwel Grote Posweg” aangelegd. Nog immer in gebruik en nog altijd razend druk. Die weg heeft destijds door ziektes, ongevallen en uitputting vele inlanders het leven gekost. Niet meewerken en sabotage betekende de doodstraf. Zijn bijnaam was: “de grote Goentoer” en “de rollende donder”. Dat zegt genoeg. Eigenlijk had hij als beloning voor zijn prestaties in Indië, paleis ’t Loo gewild, maar dat vond men te gortig. Als herenboer op De Dellen was hij minder geslaagd, want bijna z’n hele vermogen, verdiend met allerlei handel en beloningen ging er aan. Jammer dat in Hattem geen beeld van deze man te vinden is, al is er in het Voermanmuseum wel een Daendelskamer ingericht. Toch eens werk van maken.

Gerard Libert, stads- en natuurgids, Hattem

 

Kleikloet’n maart

Hattems geschiedenis kent een aantal bijzondere vrouwen. Zo was daar Eleonora, dochter van de Engelse koning Eduard II. Als 14 jarige huwde zij in 1331 de 40 jarige roodharige Gelderse graaf Reinald II. Ze kregen twee jongens, die later in een heftige broedertwist verwikkeld raakten om de macht over het inmiddels tot hertogdom verklaarde gebied. Door dit huwelijk werd de graaf door bemiddeling van de Engelse koning namelijk beloond met het hertogschap en kreeg de Hattemse leeuw van trots een tweede staart. Dat was best wel bijzonder want zelf het machtige Holland bleef maar “gewoon” een graafschap. Reinald en Eleonora leefden doorgaans gescheiden. Volgens geruchten leed Eleonora aan lepra. Toen zij hiervan hoorde, toog zij met haar kinderen naar Nijmegen en ze scheurde voor de ogen van iedereen haar bovenkleed open en toonde haar naakte, ongeschonden lichaam, waarmee ze aangaf volledig gezond te zijn. Reinald kreeg spijt van zijn afstandelijke houding, maar kort daarna stierf de dementerende hertog. Zijn weduwe liet zich nu ook Vrouwe van Veluwe noemen. Zij schonk in 1346 aan Hattem, ’t Veen; een moerasgebied ten oosten van de stad. Haar beeltenis is te vinden in de muur van ’t Nederlands bakkerijmuseum, in het deel van de stad dat ze ’t Warme land noemen.

Een andere persoonlijkheid was baronesse Van Heemstra, gouvernante van de jonge prinses Wilhelmina. Getrouwd met generaal titulair Hoefer, onbezoldigd stadsarchivaris in Hattem. Ze bewoonden het Van Lennipshuis in Hattem, beter bekend als ‘t Hoge Huis. Broer, baron Van Heemstra was burgemeester in die stad. Over Hoefer later meer. Op haar ziekbed kreeg zij bezoekjes van koningin Wilhelmina, die erg op haar was gesteld en haar “bruinoog” noemde. De bezoekjes per koets vanuit paleis ’t Loo in Apeldoorn, betekenden altijd het uitspannen van de paarden op de Hattemse Markt, waarna de koets door haar personeel de doodlopende Korte Kerkstraat, ook wel Zaksteeg genoemd, ingetrokken werd tot pal voor de deur van ’t Hoge Huis. Aan het einde van de theevisite vond dit ritueel in omgekeerde volgorde plaats. Ook president Paul Kruger van Zuid Afrika ging eens bij deze wijze vrouw op bezoek, terwijl haar broer, de burgemeester dacht dat het een officieel bezoek aan de stad Hattem betrof. Stond ie mooi te kijk met zijn stadsbestuur daar op het bordes. Of broer en zus dit ooit uitgepraat hebben is niet bekend.

Een zonderlinge vrouw was ongetwijfeld Greet Hofmans. Pacifiste, gebedsgenezeres en persoonlijk adviseur van koningin Juliana. Door prins Bernhard binnengehaald om haar bij te staan, nadat zij na de geboorte van prinses Marijke in een depressie was geraakt. Zij moest vertrekken, nadat haar invloed op Juliana hem niet meer beviel. Juliana’s goede vriend, baron van Heeckeren van Molecaten uit Hattem, bood Greet een verblijfplaats aan op zijn landgoed, waar ze in afzondering leefde in een eenvoudig onderkomen. In café Steenman op de hoek van de Kruisstraat en de Ridderstraat hield zij haar healingsessies met handoplegging en deed wonderbaarlijke genezingen, zo wordt beweerd.

Gerard Libert, stads- en natuurgids Hattem

 

 

Kleikloet’n april

Niemand heeft zoveel gedaan voor Hattems historisch erfgoed als Frederic Adolph Hoefer (1850-1938). Hij was generaal buiten dienst der Artillerie en had zijn sporen ruim verdiend in de 1e Wereldoorlog. Daarnaast was hij een gedreven geschiedvorser en oudheidkundige. In Hattem was hij vanaf 1895 onbezoldigd stadsarchivaris onder zijn zwager, burgemeester baron Van Heemstra. Zijn tweede vrouw was baronesse Van Heemstra. Onder Hoefers leiding werden grote renovatiewerkzaamheden uitgevoerd aan de Grote Kerk en aan de dakconstructie van de Dijkpoort, waarbij hij zijn goede vriend de bekende architect Pierre Cuypers uit het Limburgse had laten overkomen. Een gedenksteen over Hoefer is te vinden in die Dijkpoort en aan de zijgevel van de kerk. Hij gaf leiding aan de opgravingen naar het Middeleeuwse slot “de Dikke Tinne” op het Tinneplein, het “Raadhuis in vereniging met Vleeshuis” aan het einde van de Adelaarshoek en op de “Gaedsberg”, naar restanten van het Antoniusgasthuis en het kapelletje, welke daar in de 12e eeuw gestaan zouden hebben. Een man met een tomeloze energie en grote werklust, die ongelofelijk veel heeft betekend voor het onderzoeken en vastleggen van de Hattemse geschiedenis. Hoefer was oprichter van het artilleriemuseum, het latere legermuseum te Doorwerth en van het Openluchtmuseum te Arnhem en hij was directeur van het Provinciaal Overijssels museum te Zwolle. Het zwaar in verval geraakte kasteel Doorwerth kocht hij uit eigen middelen en redde het van de ondergang. Hij publiceerde zich een slag in het rond en richtte ook nog de voorloper van de huidige Stichting Gelders landschap en Kastelen op. Vreemd dat van hem geen beeld in Hattem te vinden is, al is er in het Verkentorentje, achter zijn huis een kleine presentatie over hem afgebeeld. Een (borst)beeld zou niet misstaan bij ‘t Hoge Huis of op ’t kerkplein. Kunstschilder Jan Voerman heeft er wel een, die uitkijkt over zijn geliefde IJssellandschap. Hoog tijd dus om Hoefer binnen de poorten een plek te geven die hij verdient. Een Hoeferstichting is er al. Ik prijs me gelukkig als bezitter van zijn grote werk genaamd: “Aanteekeningen betreffende de kerk van Hattem” een uitgave van P.Gouda Quint te Arnhem uit 1900, waarin hij o.a. vermeld: “Iedere tichel verdient zijne plaats in een gebouw, al is hij geen hoeksteen”. De kleine grote man Hoefer stierf na een lang en arbeidzaam leven in 1938 in Zeist. Gelukkig is zijn nagedachtenis voortgezet door de in 1968 opgerichte Stichting Stadskern Hattem, die al vele oude panden voor de toekomst heeft weten te behouden of zoals Hoefer dat destijds beschreef: “ ’t Volk dat zijn Gistren blijft gedenken, verloor de hoop op ‘t Morgen niet”. Historicus Geert Mak sprak in zijn boek: “De goede stad” uit 2007 over “De Wet van Hattem”, waarmee hij bedoelde dat door pure armoede veel oudheid bewaard is gebleven, terwijl rijkere steden het zich konden veroorloven om tot sloop en nieuwbouw over te gaan. In Hattem dus niet. Dat is de reden waarom er zoveel panden uit de late middeleeuwen en de 17e eeuw te vinden zijn.

Gerard Libert, stads- en natuurgids Hattem.

 

 

rabobank    triada